Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Facebook

HLA-typering

Versie:
1
Publicatiedatum:
1 jun 2013
Auteur(s):
Ellen Meijer, Sacha Zeerleder
ID:
MATCH-HLA-003

Kliniek Sfeer-2676

Eerste typering patiënt en siblings

  • Patiënt: hoge resolutie HLA klasse I en klasse II typering (A, B, C, DRB1, DQB1)
    • Voor het VUmc wordt aanvullend een DPB1 verricht indien er meer dan 1 HLA identieke sibling is;
    • Voor het AMC wordt geen DPB1 typering verricht.

 

  • Broers en zussen: lage resolutietypering HLA klasse I typering (A, B, DRB1) van alle sibs. Indien er veel siblings (> 4) beschikbaar zijn, kan in eerste instantie typering van een beperkt aantal (b.v. 4) siblings worden verricht. Bij de HLA identieke sibs wordt vervolgens in deze fase een hoge resolutie typering verricht (A, B, C, DRB1, DQB1), met die kanttekening dat bij > 2 HLA identieke sibs overlegd zal worden welke sibs verder getypeerd zullen worden. Indien er meerdere HLA identieke siblings zijn, wordt op basis van bloedgroep, CMV serostatus en keuring een donorkeuze gemaakt.
    • Voor het VUmc wordt aanvullend een DPB1 verricht indien er meer dan 1 HLA identieke sibling is;
    • Voor het AMC wordt geen DPB1 typering verricht.

 

  • Ouders typeren: Ouders worden alleen op indicatie getypeerd b.v. bij onduidelijkheden in de HLA-typering of bij extended familiesearches.

Confirmatietypering van patiënt en donor

  • De HLA-typering van patiënt en beoogde stamceldonor worden op een tweede, onafhankelijk afgenomen bloedmonster herhaald als volgt:
    • bij de patiënt en de donor wordt een lage resolutie HLA klasse I en II typering (HLA-A, -B, -DRB1) verricht.

 

Bij elke mismatch HLA-antistoffen bepalen.

Referenties

Wijziging t.o.v. vorige versie