Revaccinatie programma

Versie:
3.0
Publicatiedatum:
9 mrt 2018
Auteur(s):
Ellen Meijer, Sacha Zeerleder, Bram Goorhuis
ID:
MATCH-RVP-009

 

Maanden na SCT*

4-6

5-7

6-8

12-14

13-15

14-16

24

36

5 –

jaar

10 – jaarlijks

Vaccinaties

Pneumokokken, geconjugeerd (13 valent)
(Prevenar 13® wwsp 0.5 cc)

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

Pneumokokken ongeconjugeerd (23 valent)
(Pneumo 23® wwsp 0.5 cc)

 

 

 

 

 

 X

 

 

X

 

Meningokokken ACW135Y

Menveo® 0,5 cc

X

 

 

 

 

 

X

 

 

DaKTP-HIB-HBV (1)
(Infanrix-Hexa® flacon 0.5 cc)

 

 

 

X

X

X

 

 

 

 

DaKTP (2)
(Boostrix polio®  wwsp 0.5 cc)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

Influenza

 

 

 

X (3)

 

 

 

 

 

 

Varicella zoster virus

Zostavax® flacon 0,65 cc sc

 

 

 

 

 

 

X (4)

 

 

 

* Als gestart wordt op maand 4, dan zijn de vervolgvaccinaties op maand 5, 6, 12, 13 en 14.

   Als gestart wordt op maand 5, dan zijn de vervolgvaccinaties op maand 6, 7, 13, 14 en 15.

   Als gestart wordt op maand 6, dan zijn de vervolgvaccinaties op maand 7, 8, 14, 15 en 16.

 

 

Maanden na SCT

4-6

12-14

14-16

16-18

2 jaar

5 jaar

5,5 jaar

Titerbepalingen

Bepaling van pneumokokken antistoffen

X

X

X

X

X

X

X

Bepaling van meningokokken antistoffen

X

X

X

 

X

 

 

Bepaling van VZV en mazelen IgG antistoffen

 

 

 

X

 

 

 

1.  DaKTP-HIB-HBV = difterie, acellulair kinkhoest, tetanus, polio, haemophilus influenzae B,

     hepatitis B virus.

2.  DaKTP = difterie, acellulair kinkhoest, tetanus, polio.

3.  Afhankelijk van seizoen eventueel eerder en aan alle patiënten aan te bieden ongeacht

     termijn na transplantatie, jaarlijks herhalen.

4.  Het zostavax vaccin wordt geadviseerd alleen bij:

     a.  patiënten > 50 jaar

     b.  tenminste 2 jaar na allo SCT

     c.  geen immuunsuppressie gebruiken

     d.  een CD4-getal > 200 hebben

     e.  geen GvHD hebben

 

NB 1. Levend verzwakte vaccins, zoals gele koorts, rubella, bof en mazelen, mogen, op indicatie

           (bijv. een reis naar een endemisch gebied), alleen bij patiënten na allogene

           stamceltransplantatie worden toegediend, indien er géén cGVHD is en er géén

           immuunsuppressieve medicatie meer gebruikt wordt en nooit vóór 2 jaar na de

           stamceltransplantatie.

 

NB 2. Voor polio en tyfus bestaan zowel levend verzwakte als geïnactiveerde (dode) vaccins.

           De levend verzwakte varianten dienen altijd vermeden te worden bij patiënten na allogeen

           stamceltransplantatie.

 

NB 3. Advies bij een goede respons op Prevenar, maar geen respons op Pneumovax: Prevenar

           dekt de 13 meest voorkomende typen, dus een goede respons hierop is verreweg het

           belangrijkst; pneumovax geeft additionele bescherming tegen 10 minder vaak voorkomende

           typen. Bij goede respons op Prevenar en onvoldoende respons op Pneumovax wordt

           derhalve geen antibiotische profylaxe geadviseerd en de Pneumovax na een jaar

           (of na staken immuunsuppressie) te herhalen, onder titercontrole.

Referenties

Bone Marrow Transplantation (2009) 44, 521-526. Vaccination of hematopoietic cell transplant recipients, P. Ljungman, C. Cordonnier, H. Einsele, J. Englund, C.M. Machado, J. Storek and T. Small.

Wijziging t.o.v. vorige versie

  • Tabel Titerbepalingen toegevoegd.
  • Verwijderd voor tabel vaccinatie: Een jaar na AlloSCT. Indien meer dan 1 jaar geen immuunsuppresiva gebruik meer:
  • Pneumokokken, geconjugeerd was 13,14,15, nu maand 4-6, 5-7, 6-8, 12-14.
  • Pneumokokken, ongeconjugeerd was 18 en 5 jaarlijks. Nu 14-16 en 5 jaarlijks.
  • Meningokokken ACW135Y Menveo® 0,5 cc toegevoegd is 4-6, 12-14, 36 maanden.
  • Meningokokken type C (Neisvac wwsp 0.5 cc) verwijderd was 12 maanden.
  • DaKTP-HIB-HBV was 12, 13, 14, nu maand 12-14, 13-15, 14-16.
  • Varicella zoster virus Zostavax® flacon 0,65 cc sc  toegevoegd + criteria wanneer geadviseerd.
  • NB 3 toegevoegd. Advies bij goed respons op prevenar, maar geen respons op pneumovax.